Duif op z’n Romeins

De Romeinen brachten verschillende vogelsoorten mee naar onze streken. Eén ervan was de duif, meer bepaald de rotsduif. Terwijl wij nu de vele duiven in de stad vaak vervelend vinden, lieten de Romeinse keizers echte duivenpaleizen bouwen en spendeerden daar heel wat geld aan! De Romeinen bij ons hielden de duiven ook als siervogels, in een kooitje thuis, maar waarschijnlijk belandden de diertjes vroeg of laat toch ook in de kookpot. Bij opgravingen in de O.L.V. Basiliek van Tongeren vonden archeologen resten van heel wat duiven uit de Romeinse tijd. Voor dit recept neem je best een jonge duif, anders wordt het een taaie boel! Wat denk je?

Wat heb je nodig?
1 jonge duif (bij de poelier)
azijn
2 eierdooiers
olijfolie
2 dadels
verse munt
verse koriander
verse lavas
1 eetlepel vloeibare honing
gedroogde ui
peper
1 theelepel karwijzaad

Hoe maak je het?
Apicius vertelt dat je de duif moet braden, makkelijk is het om dit op de barbecue te doen. Knip de duif open langs de ruggengraat en vouw ze open. Strijk in met olijfolie en peper en leg ze op de barbecue tot ze gaar is. Draai op tijd om zodat de duif een knapperig korstje krijgt.
Voor de saus klop je de eierdooiers en de azijn in een kom goed los, voeg daarna langzaam de olijfolie toe tot je een stevige mayonaise krijgt. Blijf olijfolie toevoegen tot de mayonaise goed is. Ontpit de dadels en hak ze in kleine stukjes. Doe de rest van de ingrediënten erbij en mix tot je een stevig kruidenmengsel hebt. Schep dit kruidenmengsel door de mayonaise. Meteen serveren!

Ingrid eet je wortels duif enzo-5405

Wist je dat?
Ook in de middeleeuwen en later bleef het houden van duiven ultra-chic! Belangrijke edellieden lieten net zoals de Romeinen speciale duiventorens bouwen. Een mooie duiventoren, met wel 1132 nesthokjes en van meer dan 300 jaar oud, is nog bewaard gebleven in Lo-Reninge in West-Vlaanderen. Naar het schijnt lieten monniken de toren bouwen als geschenk voor hun nieuwe abt, net toen die op reis was naar Rome. Surprise!

Lo reninge duiventoren
© Carolien Coenen